penningtulphuispolialnut

mo2
pol

Beeld voor de tentoonstelling in de Botanische tuin TU Delft, 2005
Gegeven was het verhaal van Pholiphilo, n.a.v het boek ‘Hypnerotomachia Poliphili’.
Het werd het beeld “Rapunsel”.

Het 500 jaar oude boek Poliphilo’s droom van Francesco Colonna, verhaalt over een reis en is tevens een liefdesverhaal, de zoektocht naar Polia, Poliphilo’s verloren liefde. Het boek bevat een enorme hoeveelheid aan thema’s. Het gaat over architectuur, landschappen, tuinen, godinnen, nimfen, zintuigen, de onderwereld, aarde, de hemel, een dwaaltocht naar de volmaaktheid… ongeveer 1000 bladzijdes. Ik maakte vanuit dit complexe verhaal, het beeld Rapunsel n.a.v. een sprookje van de gebroeders Grimm, ook wel Raponsje genoemd. Rapunz(s)elis = een soort veldsla, in vertalingen vanuit het Frans en Italiaans = peterselie.

In dit sprookje komen verschillende  thema’s uit het boek Pholiphilo’s droom terug. Rapunsel is ook een liefdesverhaal, en dwaaltocht!
Ook hier, in dit geval een prins die gelokt wordt door een goddelijke vrouwenstem.
De prins springt uit de toren het ongeluk tegemoet nadat hij Rapunsel verloren denkt te hebben (beland in de doornstruiken en is daarna blind). Hij doolt rond  maar ontmoet gelukkig uiteindelijk zijn Rapunsel weer! Geen volmaakt eiland, zoals in het boek, maar wel zoiets!
Het paard, een koninkrijk, trouwen, niet meer blind en een lang en gelukkig leven! Wat wil je nog meer.
Geen toren zoals in het sprookje, maar een hoge boom; 1 x boom en de omkering ervan, aards/hemels, positief/negatief, wortels/kruin. En….de haren van Rapunsel natuurlijk, vanuit de hoogte naar beneden……
Met spoorzoeken werden we toch ook altijd door draden de weg gewezen!

rapunsel
 
   
   

Rapunsel, het sprookje

Heel lang geleden woonde in een huisje, dicht bij het kasteel van een tovenares een jong echtpaar.
Vanuit haar dakraampje kon de vrouw in de tuin van de tovenares kijken.
Die tuin stond altijd vol prachtige bloemen en geurige kruiden met geheimzinnige namen. Niemand durfde de tuin te betreden en de jongeman en zijn vrouw helemaal niet, want de boze aard van de oude toverkol was maar al te goed bekend.
Maar op zekere dag werd de jonge vrouw ziek. Het enige waar ze trek in had, was een slaatje, bereid uit de wortels van een donkerrood kruid dat in de tovertuin groeide. “Ik durf gewoon die tuin niet in”, zei haar man. “Stel je voor dat die toverkol me grijpt!” De vrouw werd echter steeds zieker en tenslotte klom haar man over de hoge muur die de tovertuin omgaf; hij nam wat van de kruiden mee en thuis maakte hij er voor zijn doodzieke vrouw een slaatje van. Nadat ze hiervan had gegeten, voelde ze zich dadelijk een stuk beter. Maar ze zei erbij dat ze toch zou sterven als hij haar de volgende dag niet nog meer van de  kruiden bracht.
Haar man stemde toe; hij hoopte maar dat ook zijn tweede sluiptocht onopgemerkt zou blijven. Helaas, ditmaal had hij minder geluk. De oude heks wachtte hem op.
“Hoe durf jij m’n kostbare planten te stelen!” gilde ze. “Daar zullen jullie alle twee voor boeten!”
“Mijn vrouw is heel ziek”, antwoordde de arme man, bevend van angst. “Ze zal sterven als ze niet nog wat van dat donkerrode kruid krijgt dat alleen in uw tuin groeit. Vergeeft u mij en laat me weer gaan.” De heks keek hem indringend aan, de man kon geen voet verzetten. “Op één voorwaarde”, zei ze tenslotte. Als je vrouw haar eerste kind krijgt, moet ze ‘t mij geven.
De man wilde wel alles beloven, als hij maar uit de tovertuin mocht, en daarom stemde hij toe. Daarna mocht hij een armvol van het begeerde kruid plukken, dat de heks ramponzolo noemde. “Maar denk eraan!” zei ze dreigend, toen hij weer over de hoge muur klauterde, “je eerstgeborene is van mij!”
Toen zijn vrouw weer genezen was, vertelde de man wat hij de heks had moeten beloven.
Maar riep ze uit: “Wat zou zo’n oude kol met ons kind moeten? Laten we het maar vergeten, lieve man, en denk er maar niet meer aan, want ik heb het gevoel dat we, eer het jaar om is, een kindje zullen hebben.” Haar voorspelling kwam uit; binnen een jaar hadden ze een lief dochtertje gekregen. Maar helaas! Nog diezelfde dag kwam de toverkol; ze griste het kind weg en ging ermee vandoor. De heks noemde het kind Rapunsel, naar de naam van het donkerrode kruid, en toen ze twaalf jaar was geworden, sloot ze haar op in een hoge toren.
Zelfs op haar twaalfde jaar was Rapunsel al verblindend mooi en haar lange haren, die tot ver over haar voeten vielen, waren zacht als zijde. Het enige menselijke wezen dat ze ooit te zien kreeg, was de oude toverkol. In de toren was geen deur en ook geen trap, en daarom riep de heks als ze Rapunsel wilde opzoeken:

Rapunsel, Rapunsel....Hang vlug je vlecht uit het raam

Dan liep Rapunsel naar het torenvenster en liet haar vlecht naar buiten hangen. De heks pakte de vlecht en klom omhoog. Zo waren er al heel wat jaartjes vervlogen toen de kroonprins van een naburig koninkrijk toevallig langs de toren reed, en hij hoorde daarbinnen zingen, zo mooi als hij nog nooit had gehoord. Hij werd vreselijk nieuwsgierig en bleef op een afstand luisteren. Opeens kwam de heks:

Rapunsel, Rapunsel....Hang vlug je vlecht uit het raam

Kijk en daar werd de haarvlecht uit het torenraampje neergelaten. De heks klom naar boven en verdween door het venster naar binnen. De jonge kroonprins, die slank en knap was, besloot zijn geluk ook eens te beproeven en de volgende avond, toen het al donker was geworden, stond hij onderaan de toren, en riep:

Rapunsel, Rapunsel....Hang vlug je vlecht uit het raam

En ja hoor, de gouden haarvlecht kwam omlaag, de prins klom snel naar boven. Zodra hij in het torenkamertje was, stond hij ademloos te kijken: zó mooi was het meisje dat hij daar zag. En ook het jonge meisje was helemaal ondersteboven van zo’n knappe man, de eerste die ze ooit onder ogen kreeg. “Ik kan je hier niet alleen achterlaten!” riep de prins uit. “Dat zal toch wel moeten!” antwoordde Rapunsel spijtig, “want je kunt deze toren alleen maar in en uit langs mijn haarvlecht.” “Dan kom ik je elke avond opzoeken nadat de heks is geweest”, besloot de koningszoon. “En dan zullen we samen een ontsnappingsplannetje maken.” Maar Rapunsel wist al wat haar te doen stond. “Je moet een streng zijde meebrengen”, zei ze. “En dat moet je bij elk bezoek herhalen. Dan maak ik er een ladder van, en als die lang genoeg is kan ik ontsnappen!  Alles ging goed; de jonge prins klom elke avond de toren in en bracht elke keer een streng zijde mee. Rapunsel werkte ijverig aan de ladder waarlangs ze zou ontglippen. De heks, die altijd ‘s middags naar boven klauterde, vermoedde niets. Maar op een dag was Rapunsel onvoorzichtig en zei: “Vertelt u mij toch eens waarom ik tweemaal zo hard moet trekken om u boven te krijgen als bij de prins? Bent u dan zoveel zwaarder...” Bij deze woorden begon de heks te razen en te stampvoeten. “Slechte meid!” gilde ze, pakte haar schaar en knip-knip, daar viel Rapunsels lange gouden haar! Toen sprak ze een bezwering uit over het arme meisje, zodat ze in diepe slaap verzonk; toen ze weer wakker werd, lag ze midden in een grote, verlaten woestijn. Nu ging de heks de kroonprins zitten opwachten, maar eerst maakte ze de afgeknipte haarvlecht aan de haak onder de vensterbank vast.

Rapunsel, Rapunsel....Hang vlug je vlecht uit het raam

riep de prins, die geen kwaad vermoedde. En de heks liet de vlecht uit het venster zakken. De kroonprins klom vlug naar boven en daar stond hij oog in oog met de kwaadaardige, van woede bevende toverkol. “Je mooie kleine vogeltje is gevlogen”, siste ze hem toe. “En je ziet haar nooit meer terug!” De verbijsterde jonkman sprong in zijn wanhoop uit het raam en viel!, meters diep; hij belandde in een doornstruik, waarvan de scherpe punten zijn beide ogen uitstaken. Nu hij blind was, kon hij zijn vaders koninkrijk niet meer terugvinden. Hij zwierf jarenlang door het land. Maar op een dag kwam hij in de woestijn waar Rapunsel een hutje had gebouwd. Nauwelijks had ze hem gezien of ze holde naar hem toe en sloeg haar armen om zijn hals, terwijl de tranen van liefde en medelijden langs haar wangen stroomden. De trotse prins boog het hoofd en de tranen van het meisje lekten in zijn gedoofde ogen en als door een wonder keerde het licht erin terug.
Met hun armen innig om elkaar heen stapten ze nu samen de woestijn uit.
De prins bracht haar naar het paleis van zijn vader; daar trouwden ze en leefde er nog lang en gelukkig.

Zoals bekend is het meisje uit het sprookje vernoemd naar het kruid 'Rapunzel' (een soort veldsla), waardoor haar moeder werd genezen. In diverse vertalingen is de naam Rapunsel/Rapunzel zo gebleven en overgenomen uit de oorspronkelijk Duitse vertelling door Jacob Grimm (1785 – 1863). In de loop der jaren is het verhaal iets aangepast, en wat kindvriendelijker geworden. In Frankrijk en Italië heet het meisje (vertaald) Peterselie.

 

bg